Daddy Kool

1949-1950.
Ik kon een omscholingscursus volgen tot bankwerker. Het was een gemeentelijke instelling, waar snelcursussen werden gegeven aan jonge mannen die door oorlogsomstandigheden of militaire dienst geen opleiding hebben kunnen volgen. De lessen waren voornamelijk werkplaatshandelingen als zagen, vijlen, elektrisch lassen enz. en duurde 6 maanden. Intussen had ik mij aangemeld bij de avond- MTS, maar moest daarvoor eerst een jaar algemene kennis ophalen op Mulo B niveau, ondanks het bezit van een diploma Mulo-B 1944. Ik denk, dat diploma’s afgegeven in de duistere oorlogsjaren niet werden gewaardeerd. De laatste maanden van het jaar 1949 waren dus goed ingevuld en ik had het er erg druk mee. De avonden die ik thuis was en de weekenden zat ik die winter dan ook dik ingepakt op het zolderkamertje te studeren. Met weinig tijd voor Loek. Na mijn praktische opleiding was ik enige weken werkeloos en was het intussen 1950 geworden. Om dat Loek en ik het zat waren om elkaar alleen ’s Zondags te zien na de kerktijd, hebben we besloten om zo spoedig mogelijk te gaan trouwen. Vrijen konden we alleen ’s zondagsavonds om tien uur onder aan de trap bij Pa en Ma Barendregt als ik Loek had thuisgebracht. Na precies een kwartier kwam Pa dan waarschuwen, dat het tijd was om naar huis te gaan.
Op Loeks verjaardag 24 Januari 1950 hebben we ons verloofd en gezegd, dat we wilden trouwen in Augustus. Dat viel niet echt in goede aarde bij Ma Barendregt (heeft niet de voogdij) die geen toestemming wilde geven. Pa Barendregt adviseerde ons contact op te nemen met Ds. Thomas. Deze had eigenlijk niets met de zaak te maken maar om het voor Loek niet extra moeilijk te maken (haar tweede moeder heeft geen stem in het kapittel) hebben we een gesprek gehad met Ds. Thomas. De dominee zag geen enkel bezwaar en dus ging Pa akkoord. De gezinsvoogd, een oom van Loek, ging eveneens akkoord.
Geld hadden we geen van beiden, want Loek had altijd bij Ma B. gewerkt voor ca. 0,75 ct. per week, en ik droeg mijn weekloontje voor een groot deel thuis af. Ik werkte intussen bij de Rotterdamse Droogdok Mij, de RDM op Heyplaat, waar ik langzamerhand een volwaardig monteur werd. De avondschool is goed doorlopen en ik kreeg toestemming om in de eerste van de vier klassen MTS-Werktuigbouw te beginnen. Moeder Kool bood ons aan om voorlopig in het achterkamertje (ongeveer drie bij vijf meter) te gaan wonen. Dat was maar goed ook want op een woning konden we nog wel een aantal jaren wachten.
En wat waren we gelukkig! In het achterkamertje kon een opklapbed in de nis van de schuifdeuren staan, in de lengte opgeklapt! Een kleine eettafel tegen de wand. Twee stoelen met een tafeltje bij de openslaande deuren van het balkon. Gebruik van keuken en toilet van moeder en broer Jan. Wat wil je nog meer? Een vaste kachel kon er niet staan. Die stond in de weg voor het neergeklapte bed! Maar geen nood!....een verplaatsbaar petroleumkacheltje kon óók voor de nodige warmte zorgen. Er was zelfs nog plaats voor een studiehoek met opklaptafel!
En zo werd het 2 Augustus 1950!
Het regende! Ik ging naar de Carnisselaan om Loek en de familie op te halen en daarvandaan naar de tramhalte om per tram naar het stadhuis te gaan. We waren natuurlijk niet in trouwkostuum of –japon. Bovendien regende het. We hadden ook geen zitplaatsen, maar bleven maar op het balkon staan, dan waren we in ieder geval bij elkaar! We hadden pret voor tien, zenuwen waarschijnlijk. Pa B. had nog een mopje over de bok ,die aan de kade bij de Boompjes lag. De bok was afgekeurd, vertelde Pa. Waarom dat? “Hij at geen gras!” Op de Coolsingel stapten we uit de tram en betraden het stadhuis. Omdat we voor het huwelijk op de gratis dag hadden afgesproken was er geen rode loper. We vroegen aan de portier waar de trouwzaal was. We moesten de man wel vertellen, dat we kwamen om getrouwd te worden, waarop we door een andere hotemetoot in vol ornaat naar de wachtkamer voor huwelijks kandidaten werden geleid, tevens begeleid door de getuigen. We bleken niet alleen te zijn. Als u zich de huwelijksscene herinnert uit Turks Fruit kunt u zich ongeveer voorstellen hoe onze mede gelukkigen (drie andere echtparen) eruit hebben gezien. Het kwam uiteindelijk allemaal in orde, inclusief het drankje erna.
’s Middags was er de inzegening in de Singelkerk. De eigen predikanten waren afwezig, maar Ds. Steunenberg van “Zuid” viel voor hen in. We hadden voordien al een kennismakingsgesprek gehad. Nu waren we wel in al of niet geleend en/of gehuurd kostuum/japon. De hoge hoed was me te klein, die heb ik wijselijk maar niet opgezet. De trouwtekst was/is: Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt, en dank hem in al uw gebeden. (Filippenzen 4 vers 6). De tekst daarvòòr (vers 4 en 5) is: "Laat de Heer uw vreugde blijven. Ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd; laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen."
Achteraf zijn dit de woorden gebleken die ons huwelijk hebben bepaald, al ging niet alles over rozen.
Na de dienst moesten we op de foto bij de fotograaf. Kijk maar Lief hè, de bruid bedoel ik.

Aan de bruidegom is niet af te zien, dat hij 2 oorlogen heeft meegemaakt.
En dáár gingen we wonen: Wolphaertsbocht 421, drie hoog achter. Een kamertje van 4x3 meter, waar we uiteraard heel dankbaar voor waren.
De eerste dagen en weken van ons huwelijk waren, hoe kan het ook anders, euforisch. Ik was mij er later pas van bewust dat dit voor de medebewoners in de toch vrij kleine behuizing, (moeder , broer Jan en zus Marie) soms wat overlast heeft veroorzaakt, maar dat is ons niet kwalijk genomen.
De vakantie van de school was van juli tot september, zodat ik in de zomermaanden wat extra’s kon verdienen door nachtdiensten te gaan draaien. Vlak na de bruiloft echter heb ik volop van de avonden met Loek kunnen genieten. De verdiensten waren niet groot, daar ik eigenlijk nog steeds in opleiding was als bankwerker/monteur. Van Minmar (Ministerie van marine) kreeg ik echter een gedeelte van het schoolgeld vergoed, zodat we aardig rond konden komen.
Bij Droogdok kon ik echter in de reparatie iets meer verdienen en kreeg periodiek opslag. Ik verdiende zo al spoedig F.0,80 per uur, d.w.z. bij een 48 urige werkweek, waarvan per week ongeveer F. 35,00 overbleef. Dat weekloon werd elke zaterdag na het werk (12,00u.) uitgereikt, en thuis in zijn geheel aan moeder Loek overgedragen. Daar werd dan zorgvuldig een blikken doos met vakjes voor elke uitgave mee gevuld. Wat er overbleef, en dat was niet veel, kreeg ik als zakgeld terug. Het werk in de reparatie was qua techniek veel interessanter dan de nieuwbouw, maar had als nadeel, dat het veel vuiler was en omdat er bij de RDM geen gelegenheid was om me te wassen, kwam ik vuil thuis, waar het gootsteentje in de keuken soelaas moest bieden. Tussen thuiskomen en naar school gaan zat ongeveer drie kwartier, waarin ik me: a) moest wassen en verkleden en b) een warme maaltijd moest verorberen. De snelheid waarmee dit gepaard ging, hebben mij op de duur een maagkwaal bezorgd, die, naar oud gebruik, met zes weken bedrust moest genezen.
Hoewel ik in die periode door klasgenoten regelmatig werd bekendgemaakt met de onderwerpen, die op school werden behandeld waardoor ik enigszins op de hoogte bleef van de vorderingen, kon ik toch niet voldoen aan de eisen, die bij de overgang naar een volgend leerjaar voldoende konden worden beoordeeld.
(De chronologische volgorde van het volgende moet ik nog aan de hand van onderzoek proberen vast te stellen.)
Zodoende bleef ik in B3 zitten, maar dat was toch eigenlijk een gelukkige omstandigheid want de eindexamens voor deze en volgende groepen zouden op het niveau HTS komen, zowel voor de werktuigbouw als voor de andere disciplines. Dat resulteerde overigens wel voor een verlenging van de studietijd met twee jaar!! Dat wilde zeggen, dat ik in plaats van 1 jaar nog drie jaar voor de boeg had.
Ik wilde stoppen! Dat was me te veel! Maar na enkele heftige ruzies met Loek, die persee wilde, dat ik doorging (inmiddels was Willem geboren!) heb ik besloten door te gaan, maar ter verlichting van de dagelijkse zware arbeid, te trachten, op de tekenkamer van de RDM een plekje te vinden. Dat dit is gelukt heb ik voornamelijk te danken aan de chef tekenkamer Dhr. Nellen die tevens tekenleraar was op de avond HTS.
Het vervolg van dit verhaal wil ik voortzetten als een terugblik vanuit de situatie van nu, drie jaar na het overlijden van Loek. De achterliggende periode vanaf ongeveer 1950 tot nu eind 2012. Hoogtepunten en dieptepunten in gezinsleven en ontwikkelingen in de werksfeer.
Daar ik als tekenaar en aankomend constructeur “online” bezig kon zijn met mijn ontwikkeling als HTS'er kon ik ook meer tijd besteden aan mijn gezin dat eveneens aan uitbreiding onderhevig was.
Ik heb dus in het jaar …......mijn HTS-diploma gehaald. Aanvankelijk bleef ik de R.D.M. trouw. Voor een serie Shell tankers, die werden gebouwd als vervanging voor de naoorlogse liberty- en victorie- vloot heb ik als constructeur een pompkamer ontworpen, die door Shell onmiddellijk voor hun schepen werd uitgekozen. Dit heeft voor de R.D.M. natuurlijk een financieel voordeel gehad.
In het eerste jaar in Nijmegen, bij de revisie van een der turbines van CG.2 heb ik een turbine-lager, dat in Nijmegen niet kon worden geslepen, na telefonische informatie bij de R.D.M. (was er een draaibank vrij?) begeleidt naar Rotterdam. Bij deze gelegenheid kwam ik bij mijn oude chef, dhr. Keijzer, om te horen dat ik nog een heel jaar tantième tegoed had in verband met het succes van de pompkamers.
Ik werd in Nijmegen bij de bouw van CG-Zuid (de eenheden 11 en 12) ingezet om de installaties zo gunstig mogelijk te plaatsen om onnodig extra kosten bij het onderhoud te voorkomen.
Bij de ingebruikname hiervan werd CG1 buiten gebruik gesteld. Dat hierdoor het gebruikelijke (vele) overwerk in het weekend verviel was- en is thans nog- voor de (reeds lang gepensioneerde) onderhouds ploeg reden om de opstellers en uitvoerders van het nieuwe programma het leven in Nijmegen zuur te maken. Ik werd spoedig daarna belast met de organisatie en technische realisatie van de stadsverwarming in Almere, (de MESA. een volle "dochter" van de PGEM). Degene, die mij opvolgde, (zijn naam ben ik kwijt) en de organisatie en de uitvoering van het onderhoud van de nieuwe eenheden op zich moest nemen (11 & 12) is dermate het leven zuur gemaakt door de onderhoudsploeg dat deze man met zijn gezin noodgedwongen is verhuisd. Misdadig!!
Om duidelijk te maken wat hier aan de hand was het volgende:
CG1 (Centrale Gelderland 1) moest worden vervangen in verband met de afloop van de banklening. (vastgesteld voor alle eenheden op 25 jaar, ook nu (2014) nog) Hiervoor werd, na CG2, CG Zuid gebouwd, de al eerder genoemde eenheden 11 en 12. Dat, na ingebruikname van CG Zuid, CG1 werd stilgelegd was dus volkomen logisch. De onderhoudsploeg had echter, in verband met het noodzakelijke onderhoud (in overwerktijd op Zondag) een riant inkomen, maar moest dit dus missen, hetgeen zij nu nog, 40 jaar na dato, de volgens hen verantwoordelijke directe "bazen" vreselijk kwalijk nemen, en dit ook niet onder stoelen of banken steken. Als het niet zo zielig was zou je erom kunnen lachen.
Na de genoemde eenheden heb ik medegewerkt aan de totstandkoming van eenheid 13. Daarvoor heb ik met mijn directe bazen vrij veel gereisd: Engeland voor de kolenmolens, België en Noord Frankrijk voor de roetblazers en de branders. Zwitserland en Frankrijk voor de turbine enz. Dat heb ik niet af kunnen maken, ik werd belast met
de ontwikkeling van de stadsverwarming in Almere. De kinderen hadden hun leven gevonden in Nijmegen, en zijn daar ook blijven wonen. Alleen de jongste, Laurens ging met ons mee. Loek en ik waren beide 50 jaar!
De organisatie en opbouw van de stadsverwarming in Almere onder de naam Mesa (een volle dochter van de PGEM (later NUON) was een doorslaand succes. We hebben dan ook nog goede jaren in Almere beleefd en daar ook veel goede vrienden gehad.
Met 61 jaar kon ik worden gepensioneerd, mits ik met mijn 60ste 1 jaar (doorbetaald) verlof opnam. Dat jaar kon niet worden geteld bij de eerstvolgende salarisverhoging tgv. dienstjaren. Ik ging echter graag akkoord.
Almere 31 Dec.1987.