Daddy Kool

Ik werd op vrijdagochtend 10 Mei 1940 heel vroeg wakker. De avond tevoren was ik ingeslapen met het geluid van matten en kleden kloppende vrouwen. Het was verboden om vóór 10 uur buiten matten te kloppen, zodat elke propere huisvrouw wekelijks ná 10 uur de matten stonden uit te kloppen (stofzuigers bestonden nog niet). Ik realiseerde me, dat er wat anders aan de hand was dan matten kloppen toen er heel laag vliegtuigen over vlogen, waarop door de luchtafweer werd geschoten. Boven het militaire vliegveld Waalhaven werden Duitse parachutisten gedropt, die na enkele uren het gebombardeerde vliegveld in handen hadden. De aanwezige Nederlandse jachtvliegtuigen, de G1 jachtvliegtuigen die of op de grond of in de lucht weinig tegen de Duitse jagers konden uitrichten waren al spoedig uitgeweken of uitgeschakeld. Later op de dag trokken groepjes Nederlandse militairen langs de Wolphaertsbocht die sporadisch nog tegenstand boden aan de oprukkende Duitsers.
Dit was het begin van een periode van oorlog, gebrek, spanning en saamhorigheid binnen de gemeenschap van gelijkgezinden, familie en vrienden.
Het verloop van deze eerste oorlogsdagen was chaotisch, bestond in hoofdzaak uit in de rij staan bij bakkerijen om brood te bemachtigen tot het luchtalarm de rijen uit elkaar joeg. Met het hele gezin in één kamer slapen, nou ja slapen!, omdat de zolderkamers te onveilig werden geacht. Bij luchtalarm wakker, bij door vliegtuigen uitgeworpen lichtfakkels wakker, enzovoorts. Overdag proberen om radioberichten op te vangen. Telefoon hadden alleen dokters en andere elitaire personen; bovendien waren die afhankelijk van de bezetting van de telefooncentrale. Kortom het z.g. nieuws was in hoofdzaak een geruchtenstroom die alleen maar paniek veroorzaakte. Het einde kwam toen het Nederlandse leger de strijd opgaf, en de Koningin met de gehele familie naar Engeland uitweek.
Het vernietigende bombardement van de Duitse luchtmacht op het Centrum van Rotterdam vond plaats ná de capitulatie en was niet de oorzaak van de overgave. Maar het was wèl de oorzaak van de diepe haat die ons en vele anderen tegen de Duitse overheersing hebben gehad. Het verbod op het dragen van de oranje geverfde Duitse helmen bij de WK in 2006 is zeker ook het gevolg van de barbaarse oorlogsmisdaden die de dragers van deze helmen in die jaren hebben gepleegd.
In de eerste maanden van de bezetting kwam er wat rust in de samenleving. De ingestelde Duitse regering onder “Seys Inquart” hield zich aanvankelijk koest. Later kwamen de razzia’s op ondergedoken mannen, die door de bezetter naar Duitsland werden gestuurd om de industrie op gang te houden, en dan natuurlijk de oorlogsindustrie, maar voor het overige ook als landarbeider en in de voedselvoorziening tewerk werden gesteld.
De onderduikers waren het begin van het georganiseerde verzet, want er moesten natuurlijk distributiekaarten aan hen worden uitgereikt, en door gewapende overvallen op de distributiekantoren door de BS (binnenlandse strijdkrachten) werden die kaarten bemachtigd. Later kwamen daar nog de ondergedoken Joden bij, die óók onderdak en voedsel nodig hadden. Hierover kan ik beter verwijzen naar de talloze geschiedenisboeken die na de oorlog zijn verschenen.(o.a. Anne Frank)
Wat mij betreft verliepen de schooljaren verder eigenlijk zonder ernstige schokken. We moesten enkele keren met de school verhuizen omdat de Duitse weermacht de school zonder veel poespas in beslag nam als onderdak voor hun bezettingsmacht. Wat dit voor het schoolpersoneel betekende is onvoorstelbaar. In het plaatsvervangende schoolgebouw hadden we halve dagen les, om en om ‘s morgens en ‘s middags met de oorspronkelijke school. Ik denk overigens niet, dat dit de kwaliteit van de opleiding ernstig heeft beïnvloed, mede dank zij de inspanningen van het personeel. In deze periode werd ook de omgang met Joop Ouwens en trouwens met het gehele gezin Ouwens onderdeel van het dagelijkse leven. Het begon aanvankelijk als een clubje schoolvrienden, die wekelijks bij elkaar kwam om steun te zoeken in de verwarrende situatie vanwege de oorlog en de bezetting. Dat clubje bestond aanvankelijk uit Adri Groeneveld, Joop Ouwens, Evert Brigoos, Wim van de Beek en nog enkele leden, maar groeide uit tot een schoolclub van enkele tientallen jongens en meisjes. We hebben zelfs onder auspiciën van “Proppie” enkele feestmiddagen georganiseerd, óók voor de ouders van de leerlingen. Joop is daarna een vaste vriend geworden, (géén "relatie") ook voor ons latere gezin “Kool-Barendregt”.
Toen Joop’s moeder overleed heeft zus Pietje in het min of meer verwaarloosde gezin Ouwens de rest van de oorlogsjaren, en daarna, als verloofde van de oudste zoon Piet, gewerkt.
In 1941 werd de situatie thuis ernstig verstoord door het bericht, dat broer Jaap werd vermist na een militaire operatie op de Noordzee en later als gesneuveld werd opgegeven. De brief werd door een medewerker van het Rode Kruis bezorgd zonder nadere bijzonderheden. Wat heel bijzonder was: Moeder heeft op een nacht, waarschijnlijk op dezelfde datum van de vermissing, gedroomd, dat Jaap thuis kwam in natte kleding en haar heeft gezegd dat met hem alles goed was. Moeder zei bij het opstaan:” Jaap is vannacht thuis geweest”. Vader, die op de hoogte was van dergelijke ervaringen van vissersvrouwen, had dit bericht eigenlijk al verwacht.
Er is thuis een indrukwekkende rouwdienst gehouden met een groot deel van de familie. De dienst werd geleid door predikant de Jong. ( Hij is later door de SS vermoord.) Pas na de oorlog kwam de commandant van de boot waarop Jaap was gesneuveld met een min of meer volledige beschrijving van de gebeurtenissen. De schuit, een omgebouwde en bewapende logger van de marine, werd tijdens een patrouille op de Noordzee, aangevallen door een Stuka, een duikbommenwerper. Volgens de commandant zat Jaap achter de luchtdoelmitrailleur en heeft tot op het laatste moment getracht de Duitser te raken, die keer op keer aanviel. De bemanning ging in de enige nog te gebruiken sloep. Het laatste wat de commandant van Jaap heeft gezien, was, dat hij op een deur in zee lag en zich daarop niet heeft kunnen handhaven. Pogingen om hem aan boord van de reddingssloep te krijgen lukten niet.
Het verloop van de oorlog werd natuurlijk nauwlettend gevolgd. Als het lukte met een z.g. kristalontvanger, waarmee de Engelse zender kon worden ontvangen waarvan de ontvangst door stoorzenders werd bemoeilijkt, maar ook door de officiële krantenberichten te analyseren en op landkaarten te volgen kon een aardig reëel beeld van de frontlijnen in Oost Europa en in Noord Afrika worden gevormd. Vooral de meldingen van de “strategische terugtochten” en “frontlijn verkortingen” werden met hoongelach ontvangen. De meest realistische berichten werden echter door de illegale pers verspreid.
Andere ervaringen waren de aanhouding van onderwijzer Leeuwenburg en zijn verblijf als gijzelaar in de beruchte gevangenis in Vught, waar zo nodig gevangenen werden gefusilleerd als represaille voor verzetsdaden. Leeuwenburg is na de bevrijding teruggekeerd. Ook onze Ds. de Jong van de Charloisse Gereformeerde Kerk werd gearresteerd als verzetsman en door de SS vermoord. Onze huisarts, dokter Dekhuizen, is toen verdwenen en later bleek ook hij door de SS te zijn vermoord. Dat waren verschrikkelijke ervaringen, waardoor de haat tegen Hitler-Duitsland meer en meer toenam. We hebben als schooljeugd ons aandeel in de verspreiding van de Illegale pers wel gehad. Dat was: “Je Maintiendrai”, “Trouw”, “Het Parool” en zelfs “De Waarheid”, het communistische blad.
In Juni/Juli van het jaar 1944 is het eindexamen afgenomen. Alle klasgenoten zijn toen geslaagd, zowel de A- als de B- klassen. Ik werd in dat jaar zeventien en was daardoor een gewild product voor uitzending naar Duitsland. Ik zou voor werk naar het arbeidsbureau moeten, maar daar voelde ik niets voor, want dan zou ik moeten onderduiken, dat moest toch, maar ik heb direct daarna het toelatingsexamen voor de vierde klas HBS-B aangevraagd. Dat daarvoor moest worden geleerd was vanzelfsprekend. Dhr. Mulder van de Mulo heeft mij daarbij geholpen door de benodigde boeken en exameneisen beschikbaar te stellen en dit ook met mij door te nemen.
Van de zeven kandidaten voor dat examen zijn er twee geslaagd, ik en Zwaantje een dochter van Ds.Steunenberg, ( zij was een nichtje van Teuny Steunenberg, die we later in Nijmegen hebben leren kennen als Teuny v.d. Mout.) De maanden september, oktober en november heb ik het erg druk gehad om de studie aan de HBS bij te benen.
En toen, in November 1944, waren wij aan de beurt……., -Razzia-!! We werden al vroeg wakker van een geluidswagen. In de volgende uren bleek dat alle aanwezige mannen van 17 jaar en ouder zich met reservekleding, dekens en eetgerei vóór het huis moesten opstellen in verband met tewerkstelling. Later bleek, dat dit voor geheel Rotterdam werd georganiseerd, met de bedoeling om zoveel mogelijk mannen naar Duitsland af te voeren. We waren dus met z’n drieën zogezegd “de klos”, maar er werd besloten om in geen geval zomaar voor de deur te gaan staan. Als ze ons wilden hebben, moesten ze ons maar komen halen. We hebben wel gezorgd, dat we kleding enz. gereed hadden liggen voor het geval dat……., en dat was maar goed ook. Nadat alles weer was vrijgegeven, de trams weer reden enz. werd er plotseling op de buitendeur gebonsd en kwam er een patrouille SS-ers met veel lawaai en geschreeuw de trap op gestormd, en moesten we alle drie met hen mee. We hebben nauwelijks afscheid kunnen nemen! Het huis werd verder van boven naar beneden doorzocht. We werden op de Brielselaan, enkele honderden meters verder, toegevoegd aan een andere, streng bewaakte, groep mannen, kennelijk eveneens achterblijvers en moesten afmarcheren. Het was slecht weer, koud, regenachtig. Ik liep in een korte broek, op kapotte zomerschoenen, mijn broers hadden het niet veel beter, maar namen mij tussen zich in. Uiteindelijk kwamen we terecht in het Feijenoordstadion, waar zich honderden mannen bevonden in niet veel betere omstandigheden. Onder de laagste tribunes vonden we een droge plek, waar we ons, dicht tegen elkaar, met de drie meegenomen dekens en extra kleding enigszins konden warmen. Daar hebben we de nacht doorgebracht.
De volgende dag werden we in een bewaakte colonne naar de Binnenhaven gebracht waar een aantal lichters gereed lag om ons op te nemen en verder te vervoeren. We werden in de ruimen, waarvan de bodems waren bedekt met een dunne laag stro, ondergebracht. Het was in ieder geval beter dan in het stadion, zelfs met de weinige ruimte die ons was toebedeeld, en ook warmer.
Dezelfde dag vertrokken we, d.w.z.: aan de beweging van de schuit te bemerken. Eenmaal onderweg werd ons toegestaan aan dek te komen en werd er water uitgereikt. Via allerlei binnenwateren trok een sleepboot 3 of 4 lichters, allen met opgepakte mannen, bestemming onbekend. Zwaar bewaakt, echter niet door SS’ers, maar door, kennelijk voor het front afgekeurde, militairen. Overigens niet onvriendelijk maar helaas wel erg oplettend. De eerste stopplaats was Utrecht, waar een aantal vrouwen pannen met stamppot aan boord brachten, en dit aan ons uitdeelden. Het was het eerste voedsel dat we kregen en het smaakte prima, de omstandigheden in aanmerking genomen. Ik heb getracht om te vluchten door een lege pan van een vrouw over te nemen en via de loopplank aan de wal te gaan. Erg oplettend, zei ik al, dus werd ik nog op de loopplank in de kraag gegrepen en teruggebracht. Jammer dan! Wel vriendelijk, maar geen straf. De reis ging verder via het IJsselmeer in het duister naar Kampen waar we werden ondergebracht in een door Duitsers bezette kazerne.
Ik had geen idee van de tijd, een klok of horloge had niemand! Nacht en dag was donker en licht, meer niet! In de kazerne werden we over alles en nog wat ingelicht, merkwaardigerwijze, door een in volledig Nederlands militair uniform gestoken sergeant. Nog merkwaardiger was, dat ik hem kende. Hij was namelijk de onderwijzer geweest van mijn zus Pietje, meester van der Merwe. In welke hoedanigheid deze man de gevangenen begeleidde, ik heb geen idee, maar de code van oorlog en verzet (mondje dicht en oogjes open) heeft mij de mond gesnoerd. Deze man heeft de jongste deelnemers uit de grote groep bij elkaar gebracht in een aparte ruimte, ik werd dus gescheiden van mijn broers, maar verzet hielp niet: “je bent ziek en je moet je mond houden, niet met elkaar praten, geen namen noemen”. We waren met zeven jongens, werden zogenaamd behandeld voor een ernstige besmettelijke ziekte. Deze toestand heeft enige dagen geduurd. We werden uiteindelijk geblinddoekt en gekneveld naar buiten gebracht en in een bestelbusje gestouwd. Eenmaal onderweg kregen we van een als verpleegster geklede jonge vrouw te horen, dat we werden teruggebracht naar Rotterdam. Die terugweg was een nachtmerrie! We werden enkele keren door wachtposten aan gehouden. Dan werd de achterdeur geopend en we verwachten ieder ogenblik weer te worden opgepakt. Na controle van door de verpleegster overhandigde papieren, werd de deur weer dichtgesmeten en mochten we doorrijden. Ook een keer moest de auto als een haas van de weg af en onder bomen schuilen bij een dreigende aanval van Engelse jagers.
Laat in de middag werden we in Rotterdam op de Coolsingel zonder plichtplegingen uit het busje gezet met de order, om voor onze eigen veiligheid met niemand te praten over wat we hadden beleefd. Ik moest wel naar huis lopen. De hele reis had 12 dagen geduurd.
Het was 22 november 1944 en ik was zojuist 17 jaar geworden.
De thuiskomst was voor mijn ouders en zusters natuurlijk een volkomen verrassing, emotioneel..! temeer daar opoe Barneveld die dag was overleden en werd afgelegd. Onvoorstelbaar!!....
Maar het ergste, de Hongerwinter, moest nog komen Terugdenkend hieraan komt me dit over als een nachtmerrie, hoewel de sfeer thuis, ondanks gebrek en kou de gehele winter goed is gebleven. Ik denk, dat dit ook een vorm van overleven is geweest. Wat betreft het overleven heb ik met mijn zussen de dagen doorgebracht met het zoeken van voedsel en brandstof. Brandstof? ………. Met zus Pie heb ik, in een aantal vroege ochtenden, ongeveer alle paaltjes van de afrastering van een weiland geroofd. De eigenaar kwam erachter en heeft ons met de buit op het politiebureau afgeleverd. Daar kregen we van het dienstdoende personeel een boterham en toen de boer was vertrokken werden we met buit en al vrijgelaten. Echter wel met de waarschuwing dat we niet meer in z.g. spertijd op straat mochten zijn. De rest van de afrastering hebben we maar met rust gelaten. De boer bleek een NSB-er te zijn, want we hebben hem pas weer ontmoet bij de bevrijdingsfeesten, duwend achter een auto waarin een BS-er achter het stuur. die zich met de rem vermaakte.
Intussen was het gezin verrijkt met een onderduiker. Een rasechte Parijse jongeman, volgens zijn verhalen die alleen ik kon vertalen: een marineman van de (vrije) Franse marine. Hij was in Parijs opgepakt en ondergebracht in een concentratiekamp in Hamburg. Als ik het goed heb heette dat het “Gelbe Kreuz Lager”. We koesterden geen verdenking over zijn verleden en over het feit van zijn arrestatie. Hij werd geprest om vanaf Hamburg de bemanning van een sleepboot te helpen een sleep naar Rotterdam te brengen. Als zij de reis driemaal hadden volbracht zouden ze worden vrijgelaten. De eerste de beste keer echter dat ze in Rotterdam waren is hij , met een Nederlander, een Groninger, gedrost en via de ondergrondse bij ons terechtgekomen. De Groninger is met behulp van de ondergrondse direct naar Groningen gegaan, die hebben we niet meer gezien. Maar Renee Roland Brusa ( Ronnie) is tot na de bevrijding bij ons gebleven. Met hem heb ik voor brandstof gezorgd door z.g. weermachtspalen tegen parachutisten uit de weilanden te jatten.(De vrij zware en lange palen waren door de Weermacht in de weilanden rond Rotterdam geplaatst. (Aan de bovenkant waren ze met prikkeldraad met elkaar verbonden om eventuele paratroepen op te vangen.) Gevaarlijk? Ja, natuurlijk. Het waren zonder meer oorlogsmisdaden. Maar we zijn wellicht door het oog van een naald gekropen hoewel we bij het transport van de palen, doorgezaagd en aan weerszijden van de fiets opgehangen. meerdere keren dekking moesten zoeken voor patrouilles. Elke paal was echter weer voor weken brandstof voor het noodkacheltje en een beetje warmte.
Voedsel?....... De distributie van voedsel lag vrijwel stil. In Rotterdam konden we zo nu en dan suikerbieten krijgen en het Duitse brood, waar meer zand in zat dan bloem. Spruitkoppen plukken op de bevroren akkers bij Rhoon, waar de ouders van schoonzus Nel woonden. Daar kon ik meteen mee-eten met Pa en Ma Poldermans. Een zwager van Nel (Manus Schilder) was vrachtrijder (met paard en wagen) en hij werd ingezet om de voorraden voor de Duitse weermacht vanuit de haven naar de kazernes te rijden. Als hij wist dat hij moest rijden, kreeg ik een seintje om bij de haven op hem te wachten. Hoewel hij bewaking had van een oude Duitse soldaat naast hem op de bok, kon hij mij bevoorraden door aardappelen, en wortels en soms uien, vanaf de bok op straat te gooien. Ik had zodoende weer een maaltijd bij elkaar gescharreld. Broer Piet is onverwacht rond de jaarwisseling ziek door de Duitsers naar huis gestuurd. Blij natuurlijk, maar ook weer extra zorgen.
Halverwege de maand Januari zijn mijn zussen Pie en Marie met hun vriendin Lenie Nootenboom lopend naar Friesland gegaan, dat toen nog niet was bevrijd. Deze reis moet apart worden beschreven om recht te doen aan hun moed en doorzettingsvermogen.
De eerste uitkomst kwam, toen er een Zweeds vrachtschip met meel in Rotterdam afmeerde en de bakkerijen werden bevoorraad. Per persoon werd er een z.g. Zweeds wittebrood” uitgereikt. De emotie om na zoveel tijd weer eens echt voedsel te eten is met geen pen te beschrijven. Die eerste boterhammen werden echt met eerbied opgegeten.
Toen bleek dat de capitulatie van de vesting Holland nog slechts een kwestie van enkele weken was werd er op grote schaal vanuit bommenwerpers voedsel gedropt. Dit begon op 29 April. Het Duitse afweergeschut zweeg, voor zover nog aanwezig. De vliegtuigen vlogen zó laag over, dat we de bemanningen naar ons konden zien zwaaien. De distributie van het gedropte voedsel was een nogal tijdrovende organisatie en er zijn na de droppings nog mensen van honger omgekomen
De bevrijding kwam zonder veel bloedvergieten in de vorm van Canadese eenheden. Rotterdam werd zodoende door Canadezen bevrijd. Eenheden van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) kwamen onder Canadees bevel. De straatfeesten, die spontaan werden georganiseerd waren uitingen van vreugde en jolijt, ondanks het nog schrijnende voedselgebrek. We dansten met honderden jongeren en ouderen zo, dat de straat onder onze voeten golfde. In deze periode was ik tevens dag-in dag-uit op pad om voedsel te kopen bij de boeren die dank zij het prachtige voorjaarsweer ruimschoots bladgroenten, maar ook worteltjes en witlof konden leveren.