1927 - 1940

         Ik ben geboren in de 1eCarnissestraat, waar mijn ouders een wasserijtje zijn begonnen. Dat wasserijtje werd voortgezet in de Rozemarijnstraat “op Zuid” in de buurt van de Putselaan, en nog later in een winkelpand in de Wolphaertsbocht. Het hoogtepunt in de economische progressie was een gelijkvloerse werkplaats in de Katendrechtse Lagedijk. De recessie van de jaren dertig heeft daaraan helaas een einde gemaakt. (mede als gevolg van de opkomst van de wasmachine.)
In verband met een navelbreuk heb ik enige tijd in een ziekenhuis doorgebracht, wat tot gevolg had, dat ik pas een jaar later naar de kleuterschool kon.  Van de periode in de Rozemarijnstraat herinner ik me alleen de tweeling-buurmeisjes.  Als dochtertjes in een streng katholiek gezin waren ze onbekend  met- en heel nieuwsgierig naar- de verschillen tussen jongetjes en meisjes. Als enig beschikbaar jongetje moest ik onderin het trapportaal het verschil demonstreren. Als broer van twee zussen was mij het verschil wel duidelijk. De moeder van de tweeling was ziekelijk en is in die periode ook gestorven. Moeder Betje, die de buurvrouw vaak heeft geholpen verklaarde, dat zij “gereformeerd” is overleden. Voor mijn moeder was het duidelijk, dat buurvrouw naar de hemel is gegaan, en dat kon, naar Moeders mening, voor een katholiek mens nu eenmaal niet. Merkwaardig, dat dit in mijn geheugen is blijven hangen.

Ik heb een onbezorgde jeugd gehad. Ik groeide op in de crisisjaren vóór de oorlog. Mijn ouders hebben zich in de jaren dertig uit de naad gewerkt om de wasserij, die juist een succes beloofde te worden, in stand te houden. Maar de klanten in de middenklasse gingen in die jaren zelf wassen, mede door de opkomst van de elektrische wasmachines. De wasserij kon, waarschijnlijk net op tijd, worden overgedaan zonder schulden, maar vader was (werkloos) zelfstandige en dus geen WW-uitkering. Hij viel van het ene baantje in het andere tot hij voldoende gewerkt had om in aanmerking te komen voor een uitkering.  Mijn oudere broers, Piet en Jan, probeerden met krantenwijkjes enzovoort eveneens het gezinsinkomen wat te verruimen. Ik heb Jan wel eens vergezeld die met een enorme doos met rollen  toiletpapier(drie voor een dub.) op de transportfiets langs de huizen.  De zorgen die mijn ouders hadden om rond te komen hebben voor mij echter geen nare herinneringen nagelaten. Integendeel: In de kleding van de Steun (de armenzorg): een manchester broekje en een katoenen bloesje kon ik heerlijk ravotten en spelen, terwijl mijn klasgenootjes zuinig op hun goeie goed moesten zijn. Bovendien waren er meer kinderen van werkloze vaders, die in dezelfde kleding rondliepen en echt niet opvielen. Alleen die klompen! Vreselijke dingen waar ik nooit mee overweg kon. Dagelijks kwam ik thuis met gaten in mijn kousen, omdat ik met de klompen in mijn hand veel harder kon lopen.

Ons gezin bestond, behalve Vader en Moeder uit zes kinderen, vier jongens, Piet, Jan, Jacob en Chris en 2 meisjes, Pietertje (nu Pien) en Marie.
Piet, de oudste, geboren in 1919 was een pientere vent, maar helaas met een zwak lichaam. Als kind heeft hij een aantal maanden in een gipsbed gelegen in het Zeehospitum in Katwijk in verband met een zwakke ruggengraat. Hij mocht of wilde niet doorleren na de lagere school en kwam als ongeschoolde terecht bij Piet Smit, een scheepswerf. Tijdens een ongeval met een pneumatische hamer is hij een oog kwijtgeraakt, waardoor hij gedeeltelijk invalide werd. Hij is  in 1943 getrouwd  met Nel Poldermans en kon bij Opoe Barneveld inwonen. Toen Opoe Barneveld in November 1944 stierf konden Piet en Nel de gehele verdieping bewonen. Ze hebben nooit kinderen gekregen. Die trouwerij heeft nogal wat voeten in aarde gehad. De plechtigheid vond plaats in Rhoon, waar de familie Poldermans toen woonde. Voor de gelegenheid was een rijtuigje gehuurd.
Er was echter een vertraging opgetreden omdat Nico, de oudste  broer van tante Nel ‘smorgens ergens aardappelen had gerooid ten behoeve van het diner. Kennelijk viel dit niet in goede aarde bij de eigenaar van de akker en werd broer Nico opgepakt door de veldwachter en opgesloten. Hij was de getuige voor de bruidegom en dus werd een delegatie naar het politiebureau gezonden om de getuige op tijd voor de plechtigheid vrij te krijgen. Er werd een deal gesloten: de getuige kwam onder bewaking naar het gemeentehuis (op bemodderde klompen) en heeft daar zijn plichten jegens het bruidspaar vervuld, kreeg vervolgens een boete opgelegd en was vrij, maar zonder aardappelen!
De rit van het bruidspaar met het gehuurde koetsje naar het gemeentehuis verliep ook niet vlekkeloos daar het paard niet wilde starten. Na eindeloos getrek en andere middelen kwam de koetsier tot de ontdekking dat het paard nog vastgebonden stond aan de lantaarnpaal. Van het feest zelf weet ik eigenlijk niets meer, maar het was wel een vrolijke boel.  

Jan had eveneens een zwakke rug en bovendien een z.g. kippenborst, waardoor de longen nooit goed ruimte hebben gehad om te ontwikkelen. Hij is nooit getrouwd en is veelal met Piet opgetrokken. Hij heeft na diverse baantjes een plaats gevonden aan de lopende band van een bromfietsfabriek (Berini) waar hij  een gewaardeerde controleur en reparateur werd van  niet goed werkende bromfietsen.

Jaap was een rusteloze, gezonde knaap die het nooit goed met zijn oudere broers heeft kunnen vinden, ook al omdat mijn ouders voor Piet en Jan meer aandacht hadden dan voor Jaap. Jaap mocht “doorleren” op de ambachtsschool maar werd van de school  gestuurd voor diefstal van 3 koperen klinknageltjes. Die werden gevonden in de zakken van zijn werkjasje na een les klinken. Jaap heeft tot zijn 17e jaar diverse baantjes gehad bij o.a. een z.g. loodgieter. Hij wilde graag gaan varen maar mijn ouders gaven daarvoor geen toestemming. Hij is toen op eigen houtje gaan informeren naar een opleiding bij de Marine en heeft zich daarvoor schriftelijk opgegeven. Mijn ouders werden  onverwacht geconfronteerd met het bezoek van een Marineofficier die de achtergrond van potentieel nieuw marinepersoneel controleerde. (Die controle is ingesteld na de muiterij op een Nederlandse kruiser, waaraan minister Colijn met een bom (voor de boeg) een einde heeft gemaakt; (van de muiterij uiteraard). Overigens heeft de diefstal van drie koperen klinknageltjes geen invloed gehad op de uitslag. Mijn ouders hebben na dit bezoek  bakzeil gehaald en Jaap toestemming gegeven om  bij de marine in dienst te gaan. Hij werd in eerste instantie in Vlissingen geplaatst voor de opleiding tot matroos, waar hij het opperbest naar zijn zin had.  Hij heeft daar ook een meisje leren kennen, ik meen dat zij Laura heette.  

Pietertje, in de wandeling Pietje, was, en is nog steeds, twee jaar ouder dan ik. Dat was ook de reden, dat ik weinig met Pietje heb opgetrokken. Zij heeft altijd veel in ons huishouden gewerkt. Ik denk, dat zij ook “diende”, d.w.z. bij een “Mevrouw” tegen betaling werkzaamheden moest verrichten: ramen zemen, straatje boenen, poetsen en afwassen. Er was toen nog geen sprake van  reguliere thuiszorg. Dat werd voor arme leden van kerkgenootschappen door de diaconieën geregeld. Tussen de geboorten van Jaap en die van Pietje zijn er twee kinderen, jongetjes, òf dood geboren òf kort na de geboorte overleden.  Mijn ouders hebben hierover nooit met ons gesproken. In die periode is er ook kerkelijk iets misgegaan, want ik ben gedoopt in een “vreemde” kerk, welke weet ik niet,  maar daarna is er kennelijk gepraat en zijn vader en moeder  teruggekeerd naar de gereformeerde kerk.

Ik bezocht met zus Marietje vanaf de eerste klas de “School met den Bijbel” in de later zo beruchte Millinxstraat. Dat was destijds een keurige wijk van onderwijzers, politieagenten en kleine ambtenaren. Hun vrouwen waren “juffrouw” en hadden een dienstmeisje voor halve dagen, een z.g. daghitje. Er was destijds in de titulatuur van dames een strakke hiërarchie: de vrouwen van de elite waren Mevrouw, met een hoofdletter. De vrouwen van de zelfstandige kleine ondernemers en ambtenaren waren “juffrouw” en de vrouwen van gewone werknemers waren “vrouw”.
De schooljaren zijn voor mij één groot feest geweest, in die zin dat ik graag naar school ging, niet omdat ik zo leergierig was, maar omdat we vanaf de tweede klas tot en met de zesde dezelfde onderwijzer hadden, die de kunst verstond om leren plezierig te maken, heel goed en boeiend kon vertellen, en van de klas een eenheid te maken door toch wel streng op te treden. Deze onderwijzer, meester Duijzer, zou wat mij betreft nu nog een onderscheiding mogen krijgen. De man evangeliseerde onder de chinezen op Katendrecht, en schreef kinderboekjes. Helaas was hij niet gezond en verzuimde nogal eens. De invallers hadden aan ons een moeilijke klas, waarom kan ik eigenlijk niet duiden. Ik denk, dat meester Duijzer ons bepaalde vrijheden toestond die de invallers niet konden waarderen en waarvoor het dagelijks strafwerk en nablijven regende. Het strafwerk bestond hoofdzakelijk uit strafregels: honderd keer “ik mag niet ………”. Dat was niet het ergste, want de klas als geheel hielp de zondaar met het schrijven van de strafregels en wel zó, dat op een keer de zondaar bij het opleggen van de straf de regels direct kon overhandigen!
         Als “onze” meester weer beter was kregen we een standje van hem omdat de collega’s hadden geklaagd dat we zo ongehoorzaam waren. Dat standje van “onze” meester vonden we eigenlijk erger dan de honderden strafregels die we hebben moeten schrijven.

Ik ging in 1940, het eerste oorlogsjaar, van school met een behoorlijke cijferlijst. In September van hetzelfde jaar ging ik naar de Mulo (meer  uitgebreid lager onderwijs) Vader had oorspronkelijk de ambacht-school gekozen in verband met dezelfde keuze voor mijn oudere broers, maar ik had daar totaal geen zin in en op voorspraak van de onderwijzers van de lagere school ging vader overstag.  MULO:  een hele eer voor de jongste zoon uit een arbeidersgezin,  en natuurlijk werd dit de christelijke mulo, de Julianaschool, aan het Maastunnelplein, met als hoofd: Mijnheer Kors. Het lerarenkorps bestond verder uit: Dhr. Leeuwenburg, die later in Vught gegijzeld is geweest,  Dhr. v.d.Berg, onze klassenonderwijzer,  Dhr. Goedvolk bijgenaamd Proppie,  Dhr Kuipers en Dhr. Mulder, die mij later (in 1944) heeft geholpen met het toelatingsexamen HBS-B.4.  Intussen stond de gehele wereld in vuur en vlam.  Broer Jaap bevond zich als matroos op HrMs. Mijnenveger Medusa en heeft nog kans gezien om in Mei, vóór vertrek naar Engeland, een briefje te schrijven. Of dat briefje nog bestaat weet ik niet. Ik denk, dat, als het er nog is, dat het bij tante Pietje (nu  Pien) zou kunnen zijn.
Die eerste schooljaren verliepen redelijk rustig. Ik kon goed meekomen en had het best naar mijn zin.  In deze jaren had het geloof van mijn vader in God, en zijn overtuiging dat de Gereformeerde Kerk de enige ware kerk was, veel  invloed in de vorming van mijn karakter.  Na dit “mijn Verhaal” zal ik dit in een vervolgverhaal proberen duidelijk te maken.