Militaire dienst

Omdat ik bij de keuring de voorkeur voor de marine had opgegeven werd ik tot mijn vreugde opgeroepen als milicien bij de mariniersopleiding, en moest me melden in de “Van Gendt-Kazerne” in Rotterdam. De juiste datum ben ik kwijt, maar dat is niet erg. We werden bij de aanmelding meteen in gelid gezet en gedrild alsof we volledig marinier geworden waren. De dagen daarop werden we in het uniform gestoken, wat nogal problematisch was getuige de afkomst van de diverse uniformen, zowel Britse als Canadese. Van een  bewapening was al helemaal geen sprake. Het korps mariniers is van oudsher een beroepseenheid. We waren als milicien dus binnen deze organisatie niet van erg veel belang, maar het korps had uitbreiding nodig voor de toekomstige taken. We moesten worden klaargestoomd om met de beroepseenheden een taak te vervullen in het door de Jappen verlaten en door chaos, honger en ziektes verwilderde, toen nog, Nederlands Indië. De noodzaak hiervan werd ons door het opleidingscommando terdege ingeprent.

De opleiding vond plaats in de Peel. We bewoonden daar een kampement dat daar door de Duitse luchtmacht was ingericht ten behoeve van  het militaire vliegveld Volkel, dat toen nog niet in gebruik was van de eigen luchtmacht.
We arriveerden daar in Mei en werden voorlopig 6 weken geïnterneerd voor we voor de eerste keer met weekendverlof naar huis mochten. In deze weken werden we van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat gedrild in marcheren, marcheren en nog eens marcheren en daarna wachtlopen, wachtlopen en nog eens wachtlopen. Ik denk, dat deze vorm van opleiding vanuit Amerika, waar de beroepsmariniers zijn opgeleid, door hen is overgenomen in de opleiding van ons als miliciens. Daar waren we echter uitermate trots op! Ziek melden? Dat betekende aardappels schillen in de kombuis! Te laat opstaan? Eetzaal gesloten!
Afwezig bij het appel betekende sowieso op rapport bij de commandant, een aantekening in je conduite, en minstens een dag corvee en strafexercitie!.  Na zes weken waren we model militairen. Na deze zes weken kregen we veldoefeningen, schietlessen, paraderen, nachtpatrouilles, enzovoort.
We hadden de pech, dat de zomer van 1947 een bloedhete zomer was, maar als opleiding voor Indië kon het niet beter.  Aan het einde van de opleiding werden we voor zover we waren goedgekeurd ingedeeld in het echelon voor uitzending naar Indonesië.

Op een dag echter werd ik zonder commentaar eruit gehaald en in het magazijn tewerk gesteld, waar ik sokken moest gaan tellen.  Ik was woedend en heb meteen een onderhoud aangevraagd met de commandant, om opheldering voor deze vernederende handelwijze. Het bleek, dat mijn moeder bij het ministerie van Marine, zonder overleg met mij, aangevraagd had, om vrijgesteld te worden voor uitzending naar Indië. In verband met het sneuvelen van broer Jaap in de oorlog werd dit toegestaan. Als moeder dit met mij  te voren had overlegd denk ik, dat ik mij erbij zou hebben neergelegd.  Maar nu voelde ik mij verraden. en heb  meteen herplaatsing gevraagd in een volgend echelon. .. Daar is thuis nogal wat over te doen geweest, maar ik had de zware opleiding echt niet gevolgd om in het vervolg sokken te tellen, waar ik inmiddels van baalde.

Ik kwam terecht in een groep mariniers die ik slechts van afstand kende, en waarbij ik me eigenlijk niet thuis voelde. Op zich was dit niet zo erg, want bij de definitieve plaatsing in de Mariniersbrigade in Soerabaja werden de echelons helemaal uit elkaar gehaald en voor zes weken in een opleidingskamp geplaatst. Het was letterlijk een kamp, met tenten voor zes personen op stretchers. Overdag gloeiend heet, ’s nachts trouwens ook, zeker gedurende de natte moesson. We werden dus nog eens extra opgeleid om in de tropische hitte te acclimatiseren, volgestopt met atabrine tegen malaria, dagenlange marsen met volle bepakking en bewapening. Bij de opleiding behoorde ook een jeukende uitslag tussen de benen en in de oksels, die bestreden werd met een soort jodium. Als je daarover heen was, was je getraind.

Na de opleiding werd ik als schrijver geplaatst in de Daendelstraat  in Soerabaja, waar o.a. de administratie van het hoofdkwartier was gevestigd. Het was een woonwijk  met grote huizen voor de vroegere  blanke Nederlanders uit de “tempo doeloe”. Omdat je tevens een gevechtstraining had ondergaan had elke marinier, ook als schrijver, een functie in de beveiliging van de bevolking. Adjudant Donselaar, die als een vader voor me was.

Op de een of andere manier, waarschijnlijk tijdens een patrouille en de daarop volgende koude mandi, heb ik een kou gevat, die overging in een longontsteking. Ik werd opgenomen in de ziekenboeg waar men dacht dat ik  dysenterie had opgelopen. Dat was niet zo gek, het heerste nogal onder de nieuwkomers. Men heeft mij midden in de nacht  naar het Marine Hospitaal gebracht toen ik enorme hoge koorts kreeg en ik vrijwel van de wereld was. In het hospitaal werd ik in quarantaine gehouden met dag en nacht bewaking. Dat werd ik me pas later bewust, toen ik weer wat bij mijn positieven kwam. Ik dacht echt dat ik en de hemel was: alles wit en schoon en naast mijn bed een mooie jonge vrouw, ook in het wit. Een engel, dacht ik. Wel een enorm verschil met de gore, groene wereld in de ziekenboeg, waar ik was vóór ik bewusteloos werd. Hier heb ik zes weken gelegen vóór ik terug kon naar mijn afdeling. De artsen hebben mij van onder tot boven onderzocht, hebben een longpunctie uitgevoerd om te onderzoeken of ik een pluritus had opgelopen. Zo’n punctie is geen pretje, zeker niet als je in feite nog doodziek ben. Ik had  doorlopend ruzie met de verpleegsters, want ik mocht niet zitten, moest blijven liggen en werd gevoerd maar ik had absoluut geen trek in eten. Liggend drinken uit een beker met een tuitje! Tot er een dokter kwam die me uitvloekte dat hij en zijn collega’s zich hadden uitgesloofd om me in leven te houden en dat ik verrekte ondankbaar was. Daarna schaamde ik me diep en beloofde beterschap. Langzamerhand werd ik toen wat sterker. Daarna heb ik kennis gemaakt met Bep de Haan, een hoofdverpleegster, die ik later ook nog wel heb ontmoet. Zij heeft mij overgehaald om naar huis te schrijven, waar ik tot dan niet de moed voor had. Thuis waren ze natuurlijk erg ongerust, want ik had wekenlang niets van me laten horen. Ook maakte ik kennis met Simon Heinz, een soldaat bij de Landmacht in een welfare-functie. Via hem heb ik de familie Fokkens leren kennen, die regelmatig open huis hielden voor Nederlandse militairen. Fokkens was directeur van de Javase Bank. Zijn vrouw was het middelpunt van een vereniging met zowel javaanse als nederlandse vrouwen.  Bij de familie Fokkens hebben we menig feestje gevierd.

Ook de kerk heeft voor mij een belangrijke rol gespeeld gedurende mijn verblijf in Soerabaja, niet alleen omdat ik kennis maakte met legerpredikant Ds. Slomp (Frits de Zwerver), maar ook met tal van Nederlands-Indische mensen en natuurlijk ook met de predikant van de protestantse gemeente en zijn vrouw waar we als militair vaak heerlijke kleefrijst met kokos aten.  De oorlog of liever: de bescherming van de bevolking heeft voor mij in hoofdzaak bestaan uit wachtlopen, stadspatrouilles lopen, bewapend geleide voor transporten van goederen en personen over land in Oost-Java. Het kantoorwerk bestond in hoofdzaak uit het opstellen van rapporten van incidenten uit notities van officieren en onderofficieren.

De Daendelstraat werd al spoedig verruild voor een schoolgebouw in Oost-Soerabaja waarbij een eenvoudig barakkenkamp voor het personeel  werd ingericht. De verzorging en het schoonmaken van zowel de barakken als de kantoren moesten we als derde klassers (Puppes) zelf doen onder leiding van een onderofficier, die evenmin als wij iets van schoonmaken wist. Zo was ik een keer bezig met het dweilen van de vloer van een der kantoren. Ik kreeg inspectie van de onderofficier, een sergeant majoor, die waarschijnlijk net als ik de p.in had van het baantje. Maar deze wilde er toch iets van maken en wees me op een lucifertje, wat aan de kleur te zien reeds maanden in de groef tussen de tegels lag. De man zei niets, maar wees gebiedend naar het bewijs van mijn onvermogen tot goed dweilen.  Ik vroeg de man welke opdracht ik moest uitvoeren t.a.v. het lucifertje, want ik had geen opsporingsbevoegdheid van de dader, die het lucifertje daar had gedeponeerd. “Ik geef je de opdracht om dit te verwijderen”.  Oké, maar u bent dan wel in gebreke gebleven bij het lucifertje, dat daar bij de deur ligt. De man was inmiddels paars aangelopen, maar heeft wijselijk geen rapport opgemaakt, maar zocht me wel!  Dat bleek toen ik een paar weken later in het stikdonker van twaalf tot twee, de hondewacht, op wacht stond bij de afrastering, waarachter een kampong lag, waar al eerder moeilijkheden waren geweest. De twee uur dat je daar in het stikdonker op wacht staat, allerlei geluiden hoort en waarschijnlijk continu in de gaten wordt gehouden zijn slopend. Ik hoorde plotseling het geluid van voetstappen in het gras achter me.  Bij een normale controle zal de wachtcommandant die de inspectie uitvoert, zich luidkeels aanmelden, want er waren al vaker ongelukken gebeurt met zenuwachtige schildwachten. Mijn karabijn had ik schietklaar in de hand, dus ik draaide me om en riep: “halt, staan blijven”, maar de voetstappen bleven komen. Ik riep nogmaals, zonder resultaat en besloot een schot in de lucht af te vuren. Dit was voor onze man een enorme schok, maar hij heeft waarschijnlijk nooit op wacht gestaan onder deze condities, en ook nooit begrepen waarom ik schoot. Het schot bracht de gehele wacht in rep en roer.  Ik werd meteen afgelost en de omgeving werd uitgekamd, want de wachtcommandant heeft bij hoog en laag volgehouden, dat hij had gewaarschuwd en men dacht, dat ik iets anders had gehoord. De man had me wel te pakken, want ik ben veroordeeld en heb drie dagen  in streng arrest door gebracht. Overigens hoorde ik later, dat de man zijn rang kwijt was en men zegt dat dit door mijn optreden is veroorzaakt.

Dit was niet de meest opwindende gebeurtenis in die periode, maar wel een kwalijke ervaring, dat een elitekorps als de mariniers door dergelijke onbekwame (onder)officieren wordt geleid. Ik was tevens tot de slotsom gekomen, dat we eigenlijk alleen maar bezig waren om de Nederlandse belangen veilig te stellen onder het mom van Gerbrandy’s “Herstel van het Nederlandse gezag”.  Want de vele pogingen tijdens de eerste en de tweede veldtocht (politionele acties werden die genoemd) hebben in feite alleen maar verliezen opgeleverd. De talloze internationale conferenties  hebben de Nederlandse regering steeds verder in het nauw gedreven.

De Mariniersbrigade werd opgeheven en binnen het Korps gebracht.
In een dienstorder werd in Juni/Juli  1949 de mogelijkheid geboden, om bij de aanvang van het nieuwe schooljaar thuis een academische studie te gaan volgen. Aanvragers moesten in het bezit zijn van het inschrijvingsbewijs voor de betreffende academie. Ik heb dit meteen aangespannen. Een brandbrief naar huis en naar Joop Ouwens om te proberen mij in te schrijven bij de “Academie voor Beeldende kunsten en Technische Wetenschappen”  in Rotterdam. Ik zou toch al naar de middelbare technische avondschool gaan, maar dan een jaar later. Toen ik de nodige papieren had, was het alleen nog een hobbel om de betreffende officier duidelijk te maken, dat het om een Academische Avondopleiding ging. Dat was volgens deze man geen aanleiding voor vervroegd thuisvaren.  Ik vroeg de man of het inkomen van de Vader een voorwaarde moest zijn, of dat een werkkring van de student zelf ook een voorwaarde kon zijn om de studie in de avonduren  te kunnen volgen. De man keek me enige ogenblikken aan, griste het formulier naar zich toe, tekende het zonder verder commentaar en feliciteerde me met mijn besluit.

Ik werd spoedig daarna in een thuisvaartechelon geplaatst en op de “Groote Beer”,  een hospitaal schip,  met een aantal andere gelukkigen ondergebracht.  Pas onderweg heb ik het thuisfront getelegrafeerd dat ik er aan kwam. Het was een gezellige thuisreis, werkend in de kombuis. Tijdens de maaltijden de gerechten  uitreiken aan de opvarenden en na afloop een borreltje met de kok.    De “Groote Beer” vervoerde tevens een aantal gewonde militairen, die door een verpleegkundig team werden verzorgd en verpleegd. Een van deze verpleegsters is onderweg door verbranding gewond geraakt. Reden om de thuisreis te onderbreken in Hoek van Holland om de gewonde tijdig in een ziekenhuis op te kunnen nemen. Deze laatste nacht hebben we dus slapeloos doorgebracht aan een kade in Nederland, waar ik met een korte treinreis binnen enkele uren thuis zou kunnen zijn. Maar we moesten echt in Amsterdam ontscheept worden met de nodige toespraken, die ons niets interesseerden,  alvorens we per bus met de nodige omwegen thuis werden afgeleverd.

Het was natuurlijk een emotionele ontmoeting, maar ik kan me van de eerste dagen thuis weinig meer herinneren.  Dominee Thomas, overigens een alleszins aanvaardbaar mens, kwam al spoedig op bezoek. Ik liep nog in mijn groene legerhemdje en werd door moeder onverwijld naar boven gestuurd om me beter aan te kleden, maar ik vond dat iedereen me maar moest nemen zoals ik was en bleef. Ik was er gelukkig wel van overtuigd, dat óók in de burgermaatschappij discipline noodzakelijk was, maar moest nog leren, dit in praktijk te brengen. In het begin nog benauwend, maar alles went. Bovendien was er Loek en het verlangen om zo spoedig mogelijk aan het werk en aan de studie te gaan.