Afkomst, familie en gezin

Pieter Kool en Pietje Kool-de Haan, de ouders van mijn vader.

Mijn grootouders kwamen oorspronkelijk uit de Alblasserwaard, met name uit  Alblasserdam. Opa was Piet Kool,  Opoe was Pietje de Haan. Opa was waarschijnlijk een handwerksman of landarbeider. Opoe was de dochter van een welgestelde boer.  Het verhaal gaat, dat Opa Piet, verliefd op Pietje, door haarvader niet werd geaccepteerd als schoonzoon en zijn dochter verbood omgang te hebben met de eenvoudige Pieter Kool. Om het vervolg te kunnen begrijpen moet je eigenlijk Pietje de Haan hebben gekend. De afgewezen minnaar van Pietje, Pieter Kool, heeft, teneinde raad, maar waarschijnlijk door haar geregisseerd, voor hen geboekt op een emigrantenschip naar Amerika, en op de dag vóór de afvaart een rijtuig gehuurd. Vervolgens heeft hij ’s avonds, de op haar slaapkamertje opgesloten Pietje via een ladder ontvoerd en zijn ze per rijtuig naar Rotterdam getogen om scheep te gaan naar Amerika. Als dit was doorgegaan was dit verhaal nooit geschreven.
Maar boer de Haan was óók niet gek. Die heeft natuurlijk, zijn dochter kennende, lont geroken en, wellicht gewaarschuwd door dorpsgenoten, zijn dochter met de ontvoerder nog net op de kade in Rotterdam kunnen achterhalen. Het gevolg was, dat Pieter en Pietje, om de schande te beperken toestemming kregen om te trouwen. Waarschijnlijk is Opa Piet door schoonvader aan een groentezaak  geholpen  in Alblasserdam, waar het gezin Kool werd gesticht. De groentezaak is later met het hele gezin overgeplaatst naar Rotterdam-Charlois. Deze zaak bestond nog toen ik een jaar of vier was, uit de verhalen van de familie te horen, maar is kennelijk door de crisis in de jaren dertig ter ziele gegaan.  Opa herinner ik me als een rustige, brave man. Hij had altijd stukjes zoethout in de zak van zijn vest, waarvan hij ons  gul uitdeelde. Opoe was iemand die haar schoondochters, zo ook mijn moeder, kleineerde en dwars zat, daarbij braaf geholpen door tante Marie. Dat de contacten gehandhaafd bleven is te danken aan het goddelijke gebod: “Eert uw vader en uw moeder”, dat door mijn ouders tot op de letter werd uitgevoerd.                       
  
Het gezin Kool bestond, voor zover bekend uit 4 zoons en 1 dochter. De oudste zoon, Jaap, was het zwarte schaap van de familie, lid van de NSB. (Nationaal Socialistische Beweging, met fascistische tendensen).  Tijdens de oorlog is deze oom Jaap bij ons nog op bezoek geweest, wellicht om mijn vader van de glorieuze overwinning van het fascisme te overtuigen. Wat er van hem is geworden is en waar hij is gebleven is mij althans niet bekend. Een andere Oom, oom Nico, getrouwd met tante Sjaan, woonde destijds in de buurt en het contact was goed, hoewel zij lid waren van de Hervormde Kerk. Dat was voor mijn streng Gereformeerde ouders eigenlijk niet terecht. Oom Nico en tante Sjaan hadden evenals mijn ouders, een vrij groot gezin, maar de enige, waar wij als kinderen mee om gingen, was de dochter, Sjaan. Oom Nico was broodbezorger, in dienst van een bakkerij, annex winkel op Charlois.  Hij is versleten achter de zware broodkar, dag in, dag uit. Met zijn dochter Sjaan heb ik vaak, tijdens de oorlog, steenkooltjes gezocht op het rangeerterrein aan de Waalhaven, waar de machinisten van de stoomlocomotieven jarenlang de roosters van hun machines schoonmaakten. We hadden dan weer een paar handen vol onverbrande steenkool voor de kachel thuis.

De jongste broer van vader was oom Adriaan, die was getrouwd met tante Lena. Met het gezin van Oom Adriaan hadden we nog het meeste contact, hoewel zij het verste weg woonden, helemaal in Schiedam en waarschijnlijk omdat zij als enige drie broers lid waren van de Gereformeerde kerk, uiteraard in Schiedam. Zij hadden drie zoons, Pieter, die Bob werd genoemd, Henk en Aad, en één dochter waarvan de naam me ontschoten is. Met de verjaardagen over en weer moesten we naar Schiedam lopen, met de pont overvaren(de tunnel was er nog niet) en de rest lopend, de hele lange Schiedamsche dijk langs. Bob is later getrouwd met Lenie Nootenboom, de boezemvriendin van zus Marie, die op dit moment nog contact heeft met zus Pietje. Bob was klokkenmaker en werkte thuis. Hij was een vrij eenzelvige man en is vrij jong overleden.  Van de anderen weten we dat Aad, de jongste, een aantal jaren dirigent was van een kerkkoor in Schiedam. Jammer was, dat de familie bij de kerkscheuring in 1943 heeft gekozen voor de zijde van de z.g. art 31 van de geref. geloofsbelijdenis, die door theologie-professor Schilder net iets anders werd uitgelegd als door de “synodalen”, iets over de doop ofzo.
Mijn vader was het in principe eens met de opvatting van prof Schilder, maar hij vond dat het verschil met de bestaande uitleg niet de moeite van een kerkscheuring waard was. Wat mij als kind heeft verbaasd, en mij zelfs nu nog als volkomen zot voorkomt, is: dat voormalige bevriende families, die jarenlang in dezelfde straat woonden en lid waren van dezelfde kerk van de een op de andere dag na de kerkscheuring, elkaar niet meer groetten en elkaar als onwelkome vreemdelingen behandelden, en dat tijdens de Duitse bezetting!!!    

De zus van mijn vader, tante Marie, was in mijn optie een door en door verwend nest, die èn haar ouders èn de gezinnen van haar broers trachtte te regeren, waarbij Opoe Pietje haar de hand boven het hoofd hield. Zij had een of andere opleiding in de verpleging gehad en liep trots als een pauw zomer en winter in een verpleegstersuniform, compleet met hoofdtooi en sluier. Voor zover ik me kan herinneren is tante Marie altijd de oorzaak geweest van eindeloze ruzies in de familie. Helaas is zij nooit getrouwd geweest en bleef zij bij opoe en opa wonen en door hen verzorgd worden. Dus met verjaardagen en andere hoogtijdagen hadden wij als kleinkinderen altijd met haar te maken en heeft zij onze levens kunnen beïnvloeden. Mijn ouders duldden haar omdat zij het “Eert Uw vader en Uw moeder” (het zoveelste gebod) belangrijker vonden dan de doorlopende herrie met tante Marie.   Waar zij woonden hadden zij vaak ruzie met buren en dat ging enkele keren zover, dat zij plotseling met z`n drieën voor de deur stonden om onderdak omdat zij niet thuis durfden te blijven. De christelijke opdracht trad dan in werking en ons gezin werd opgezadeld met drie in volle omvang aanwezige volwassenen in onze toch al te kleine bovenwoning. Een andere huurwoning voor hen was de oplossing, temeer, daar mijn oudere broers mijn ouders een ultimatum stelden: “of zij eruit of wij!!” Hoe mijn ouders dit hebben opgelost?  Geen idee. Ik denk, dat het meeste werk en de grootste lasten door mijn ouders zijn verricht en opgebracht. Ik heb daar persoonlijk geen nadeel van ondervonden. Ik ging mijn  eigen gangetje en had er wel vrede mee, maar mijn kinderlijk oordeel over deze grootouders en tante was beslist niet positief. . Mijn grootouders hadden in de jaren ’34 tot ‘38 een woning in de Dordtse Laan, in de buurt van de school. Ik was toen zeven jaar en werd uitverkoren om na schooltijd voor tante Marie boodschappen te doen. Ik meen 2á 3 keer per week. Zij beheerde daar een z.g. kraamkliniekje waarvoor opoe en opa eveneens in de weer waren. Ik kreeg voor het boodschappen doen een paar centen, maar het was eigenlijk geen doen. Tante Marie zocht de winkels uit waar de spullen het goedkoopste waren met het gevolg, dat ik voor 4 boodschappen in 4 verschillende winkels moest zijn, verdeeld over half  Rotterdam-Zuid, weer of geen weer, vaak met kapotte schoenen.

Er was destijds ook een pleegdochter in huis, Annie Rebel, waar ik het goed mee kon vinden. Kennelijk mocht of wilde zij geen boodschappen doen, maar Annie had een step, die ik vaak mocht gebruiken  voor de verre boodschappen.  Toen zij te oud werd voor een step kon ik hem overnemen van tante Marie als ik een half jaar gratis boodschappen had gedaan. Na dat halve jaar heb ik nooit meer boodschappen voor tante Marie gedaan. Waar Annie is gebleven is mij volkomen onbekend. Bij mijn weten is daar in ons gezin nooit meer over gesproken. Later, ik meen in de eerste oorlogsjaren, zijn opa, oma met tante Marie verhuisd naar de Frans Bekkerstraat “op Charlois", in een bovenhuis op de hoek van de Boergoensestraat. Daar hebben zij gewoond tot na de oorlog en nadat èn Opa èn Opoe overleden (waren.
In de oorlog hebben we daar menige verjaardag gevierd, al of niet met instant-koffie en bieten-koekjes. Tante Marie, alleen overgebleven, kreeg weinig of geen bezoek meer. Zij is op een dag zomaar, zonder aankondiging, verhuisd naar Bennekom. Oom Nico is nog naar haar op zoek geweest en heeft daar vernomen, dat zij met een vriendin daar heeft gewoond en is overleden. Een overlijdensbericht hebben we nooit ontvangen en is bij mijn weten ook nooit opgevraagd. (naar mijn idee had tante Marie de opbrengst van de boerderij in bezit en heeft zij dit met haar vriendin gedeeld.)

De ouders van mijn moeder waren Jan Barneveld en Immetje Barneveld-Boon.
Het gezin kwam uit Zaandam, waar moeder ook is geboren. Het  bestond als ik het goed heb uit 4 dochters en 3 zoons. De dochters: Trijn, Maartje, Aagt en moeder Elisabeth. De zoons: Jan, Chris en Cor. Van hen is, althans bij mij, weinig bekend.  Van opa Barneveld weet ik alleen, dat hij machinist was op de binnenvaart, maar over hem is bij mijn weten nooit gesproken. Opoe Barneveld heeft jarenlang in de woning onder ons gewoond, zowel in de Katendrechtse Lagedijk als in de Wolphaertsbocht. Ik denk, dat toen opoe hulpbehoevend werd, mijn moeder voor haar heeft gezorgd. Ik denk ook, dat de huur van haar woning voor een groot deel door mijn vader werd betaald. (Immie, van tante Pien, is naar haar vernoemd).    

Oom Cor, die nog jaren bij Opoe heeft ingewoond, is later getrouwd. Hij was ongeveer even oud als mijn broer Piet. Mijn moeder heeft weleens verteld dat zij èn opoe tegelijkertijd zwanger waren, maar het niet van elkaar wisten!!!       Oom Cor kon, zonder ooit muziekles te hebben gehad goed overweg met orgels. Hij is zelfs, toen hij nog bij ons woonde, organist geweest op het kerkorgel van de kerk aan de Carnissesingel. Ik herinner me, dat Oom Cor op een Zondag, toen hij moest spelen, in een voorspel van een gezang, welk weet ik helaas niet meer, de melodie van “Louise zit niet op je nagels te bijten” verwerkte. Omdat broer Piet en ik door hem op de hoogte waren gesteld konden wij dit uitstekend horen, maar anderen hadden dit kennelijk niet door en we hebben het ook niet doorverteld, want we wisten  hoe mijn ouders daarop zouden reageren. Omdat hij ’s Zondagsmiddags tevens het orgel in de bioscoop in de Gaesbeekstraat bespeelde is hij later door de kerkenraad ontslagen als kerkorganist. Wij vonden dit wel jammer. Ik denk, dat onze Gerrit het muzikale talent van hem heeft geërfd.                                                 

Oom Chris was gemeenteambtenaar en als zodanig het belangrijkste lid van de familie. Helaas is zijn huwelijk met tante …. ?? op de klippen gelopen en heeft daaraan een dochter overgehouden. Omdat een gescheiden man in de familie natuurlijk niet kon, weten we alleen, dat hij later is geëmigreerd naar Nieuw Zeeland. De dochter, ik weet haar naam niet meer, is naar Engeland gegaan en daar getrouwd. 

Van Oom Jan Barneveld weet ik weinig. Hij was getrouwd met een vrouw, waar moeder weinig mee omging, en bovendien altijd ruzie maakte.

Tante Trijn woonde in Dordrecht en was getrouwd met een winkelchef van een der grote ketens, De Gruyter ofzo. In verband met de afstand was er weinig contact, maar de verhouding was wel goed. Ik ben een keer op dé step met neef Jan Serry, eveneens op zijn step, naar Dordrecht gegaan op bezoek bij tante Trijn. De tocht is goed verlopen, maar van het bezoek op zich weet ik niets meer.
Tante Aagt was getrouwd met een zeeman, Oom Jaap Serry, die op de wilde vaart voer en maar zelden thuis was. Zij heeft vóór de oorlog bij opoe Barneveld ingewoond en in de jaren dat opoe onder ons heeft gewoond was zij met haar zoon Jan ook onze buurvrouw. Jan, waar ik heel goed mee kon opschieten was eigenlijk mijn beste speelkameraad. Later woonden zij in het centrum van Rotterdam in een steegje, de Operijstuin of de Toerijstuin of zoiets. Het huis was wat scheefgezakt, waardoor tafels, stoelen , bedden enz. op blokken stonden om in ieder geval horizontaal te kunnen wonen. Maar als speelterrein was dit natuurlijk ideaal! De speelgoedauto’s reden vanzelf van de ene kant van de kamer naar de andere kant. Voor mij was de hele omgeving ideaal!. Het was vlak bij een treinviaduct waar dag en nacht de goederen- en personentreinen over denderden. Het mooiste was wel, dat tante ons kaartjes gaf voor de kindermiddag in de bioscoop. Ik mocht dit echter niet thuis vertellen, want dan waren de speelmiddagen bij neef Jan echt voorbij!

Oom Jaap Serry was een geval apart. Hij deed aan spiritisme en was helderziende. Het meest frappante, wat op mij een heel diepe indruk heeft gemaakt was wel dit:      Kort vóór het uitbreken van de oorlog op 10 mei 1940 was oom Jaap een paar dagen thuis tussen twee aanmonsteringen-(contracten). Hij bezwoer tante Aagt om zo spoedig mogelijk uit het centrum te verhuizen naar Rotterdam Zuid, zonder te zeggen waarom. Ik denk, dat hij dit óók niet wist, maar zijn voorgevoelens hebben hem voorbereid op de catastrofe van 15 Mei. Ik weet niet meer op welke datum de verhuizing plaats gevonden heeft, maar tante Aagt is vóór het uitbreken van de oorlog verhuisd naar Zuid. Bij het bombardement is het huisje in het centrum totaal verwoest. Het kon niet  eens meer teruggevonden worden.                                          
 Oom Jaap was, als hij thuis was, ook sportmasseur. In de periode dat tante Aagt bij opoe Barneveld op de verdieping onder ons inwoonde, was oom Jaap eveneens aanwezig tijdens zijn verlofdagen. Hij hield daar ook met zijn clubje spiritistische seances. Dat heeft nogal wat narigheid bij ons veroorzaakt daar de geesten  kennelijk de weg terug kwijt waren en in ons huis rondspookten. Ik heb daar zelf weinig van gemerkt, maar werd wel aangestoken door de algemene paniek en zag dan ook wel eens een wit gezichtje of hoorde gerammel in de keuken als daar niemand aanwezig was. Ik ging altijd als eerste naar bed op de zolderverdieping, en werd dan daarheen gebracht door zus Pietje. Na het avondgebedje was zus als een haas naar beneden verdwenen, want zij was al even bang als ik voor de geesten van oom Jaap. Ik dook dan van angst diep onder de dekens, maar ik kan me verder niets meer herinneren.
 Als er ’s Zondags een koers was van wielrenners dan was oom Jaap de sportmasseur en zat de benedentrap Zondagsmorgens vol met wielrenners te wachten op hun beurt om te worden gemasseerd. Het is te begrijpen, dat mijn vader daar niet vrolijk van werd. Op de dag des Heren een trap vol zwetsende wielrenners!... Overigens was oom Jaap niet te beroerd om Vader in de wasserij te helpen, Moeder van haar migraine af te helpen en de bulten van het vallen op mijn hoofd weg te masseren.

Tante Maartje was getrouwd met ome Dirk (wiens achternaam ik ben vergeten) en woonde op Charlois, in de Zuidhoek. Tante Maartje was Jehova-getuige en dat was een godsdienst die ver van het bed van mijn ouders was. Oom Dirk was tramconducteur en kon  prachtige verhalen vertellen over zijn belevenissen op de tram. Éen verhaal herinner ik me nog over een man met een grote trom! Deze stond in de tram op het middenbalkon, maar in de bocht waar de tram vanuit het centrum van Rotterdam de kade aan de Maas opreed naar de brug, is de trom aan het rollen gegaan over de straat de kade op en regelrecht in het water van de Maas gedoken. Oom Dirk heeft naar zijn zeggen de grootste moeite gehad om zijn  passagier vast te houden, anders was die achter zijn trom aan de Maas in gedoken. Overigens kon Dirk mooie potloodtekeningen maken van  gebouwen e.d. We hebben daarvan na het overlijden van Opoe niets meer teruggezien.